Opstaan
قامَ / يَقُومُ
Dit werkwoord, dat eigenlijk “opstaan” betekent, draagt ook het idee van rechtschapenheid en stabiliteit in zich, zoals in de koranische woorden قَيُّوم, قَيِّم of مستقيم.
Opmerking: de bijvoeglijke naamwoorden قيّم en مستقيم roepen dus een “verticale” en daarmee “opwaartse” rechtschapenheid op. Men zegt ook قام بـ, in de betekenis van “iets volbrengen”.
وَإِذَا قَامُوا إِلَى الصَّلَاةِ قَامُوا كُسَالَى يُرَاءُونَ النَّاسَ وَلَا يَذْكُرُونَ اللَّهَ إِلَّا قَلِيلًا
En wanneer zij opstaan voor het gebed, staan zij lusteloos op, om door de mensen gezien te worden. En zij gedenken God slechts [heel] weinig. (4:142)
وقَف ــِـ
Dit werkwoord betekent “rechtop staan” of “halt houden”.
وَلَوْ تَرَى إِذْ وُقِفُوا عَلَى النَّارِ فَقَالُوا يَا لَيْتَنَا نُرَدُّ
Kon je hen maar zien wanneer zij voor het Vuur zullen staan en zeggen: “Konden wij maar teruggebracht worden [naar de lagere wereld]!” (6:27)
نصِب ــَـ
De wortel van dit werkwoord betekent “oprichten”, “zich oprichten” of “zich vermoeien”. Omdat lang rechtop staan uitputtend is, ligt het verband nogal voor de hand, een beetje zoals men in het Nederlands zegt: “zich krom werken”.
فَإِذَا فَرَغْتَ فَانْصَبْ وَإِلَى رَبِّكَ فَارْغَبْ
En wanneer je vrij bent [van je bezigheden], richt je dan op (dat wil zeggen: leg je toe op de inspanning) en verlang naar je Heer. (94:7-8)
Gaan liggen
ضجَع ــَـ / اِضْطَجَعَ
Deze twee werkwoorden betekenen “de zij tegen de grond leggen”. Het tweede (vorm 8, waarin de ت in een ط is veranderd) is gangbaarder. Men zegt ook ضجعت الشمس, in de betekenis van “overhellen” of “neigen”. In de Koran komt alleen het naamwoord van plaats مَضْجَع voor, in het meervoud, zoals in het vers hieronder.
تَتَجَافَى جُنُوبُهُمْ عَنِ الْمَضَاجِعِ يَدْعُونَ رَبَّهُمْ خَوْفًا وَطَمَعًا وَمِمَّا رَزَقْنَاهُمْ يُنْفِقُونَ
Hun zijden rukken zich los van hun slaapplaatsen, en zij roepen hun Heer aan, uit vrees en hoop; en zij geven milddadig van wat Wij hun geschonken hebben. (32:16)
تمدّد
De wortel van dit werkwoord betekent “uitspreiden”. Overeenkomstig de afleiding betekent vorm 5 dus “zich uitstrekken”. Die vorm komt niet in de Koran voor, maar vorm 1 wel.
وَالْأَرْضَ مَدَدْنَاهَا وَأَلْقَيْنَا فِيهَا رَوَاسِيَ وَأَنْبَتْنَا فِيهَا مِنْ كُلِّ زَوْجٍ بَهِيجٍ
En de aarde! Wij hebben haar uitgespreid, Wij hebben er bergen op geworpen en Wij hebben er allerlei prachtige soorten op laten groeien. (50:7)
Gaan zitten
جلَس ــِـ / قعَد ــُـ
Het werkwoord قعد roept een stabiliteit op die جلس niet oproept. De Koran noemt de fundamenten van het huis قواعِد.
Sommigen beweren dat قعد “gaan zitten nadat men stond” betekent, terwijl جلس “gaan zitten nadat men lag” zou betekenen. Maar het taalgebruik laat daarover niets duidelijks zien. Toch wint men aan stabiliteit wanneer men van de staande naar de zittende houding overgaat, wat niet het geval is wanneer men van de liggende naar de zittende houding overgaat.
يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِذَا قِيلَ لَكُمْ تَفَسَّحُوا فِي الْمَجَالِسِ فَافْسَحُوا يَفْسَحِ اللَّهُ لَكُمْ
O jullie die trouw zijn (en geloven)! Wanneer jullie in de bijeenkomsten gezegd wordt: “Maak plaats!”, doe het dan! God zal plaats voor jullie maken! (58:11)
فَلَا تَقْعُدْ بَعْدَ الذِّكْرَى مَعَ الْقَوْمِ الظَّالِمِينَ
Blijf na de vermaning niet (geregeld) zitten bij de onrechtvaardige mensen. (6:68)
Opmerking: het verbod om bij de onrechtvaardige mensen te zitten betekent uiteraard “geregeld in hun gezelschap verkeren” (wat de notie van stabiliteit in het werkwoord قعد aangeeft), en niet dat men nooit bij hen mag gaan zitten.
Slapen
نامَ / يَنامُ
Deze wortel roept de slaap in het algemeen op.
وَهُوَ الَّذِي جَعَلَ لَكُمُ اللَّيْلَ لِبَاسًا وَالنَّوْمَ سُبَاتًا وَجَعَلَ النَّهَارَ نُشُورًا
Hij is het die de nacht voor jullie tot een mantel heeft gemaakt en de slaap tot rust, en die de dag heeft ingesteld als een opstanding. (25:47)
وسِن / يَوْسَنُ
Deze wortel komt alleen voor in de vorm سِنة. Dat is de maṣdar die bij het werkwoord hierboven hoort. Het woord betekent de sluimering die aan de slaap voorafgaat. Volgens de klassieke woordenboeken kan deze term ook loomheid oproepen.
اللَّهُ لَا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ الْحَيُّ الْقَيُّومُ لَا تَأْخُذُهُ سِنَةٌ وَلَا نَوْمٌ
God! Er is geen god dan Hij, de Levende, Hij die door Zichzelf bestaat. Sluimer noch slaap heeft vat op Hem. (2:255)
نعَس ــَـ
Volgens de klassieke woordenboeken kan deze term worden opgevat zoals de vorige (een lichte slaap of een loomheid) of als een diepe slaap. In de Koran komt het woord نُعاس (de maṣdar van dit werkwoord) twee keer voor, en in die context roept het een slaap op die op een grote vermoeidheid volgt.
ثُمَّ أَنْزَلَ عَلَيْكُمْ مِنْ بَعْدِ الْغَمِّ أَمَنَةً نُعَاسًا يَغْشَى طَائِفَةً مِنْكُمْ
Na de angst heeft Hij veiligheid over jullie neer doen dalen, een sluimering die een deel van jullie omhulde. (3:154)
هجَع ــَـ
Volgens sommige taalkundigen en commentatoren roept deze term uitsluitend de nachtelijke slaap op. Hij zou dus tegenover قال / يقيل staan (zie verderop). Volgens anderen verwijst hij naar een onderbroken, of lichte, slaap.
كَانُواْ قَلِيلاً مِّن ٱللَّيْلِ مَا يَهْجَعُونَ
Zij sliepen ’s nachts maar weinig. (51:17)
رقَد ــُـ
Volgens de klassieke woordenboeken kan deze term zowel de slaap overdag als die ’s nachts aanduiden. Volgens sommige taalkundigen zou het om de lange slaap gaan. Deze wortel komt in de Koran voor in twee contexten die een lange slaap oproepen (in het tweede geval die van de dood). Maar de meeste commentatoren zien er een synoniem in van نَوْم, dat wil zeggen de slaap in het algemeen. Het woord رُقُود is de maṣdar van dit werkwoord, en het woord مَرْقَد het naamwoord van plaats.
وَتَحْسَبُهُمْ أَيْقَاظاً وَهُمْ رُقُودٌ
Je zou hen wakker hebben gewaand, terwijl zij sliepen. (18:18)
قَالُوا يَا وَيْلَنَا مَنْ بَعَثَنَا مِنْ مَرْقَدِنَا هَذَا
Zij zullen zeggen: “Wee ons! Wie heeft ons toch uit onze rustplaatsen weggerukt?” (36:52)
قال / يَقِيل
Deze wortel roept de siësta op, en dus uitsluitend de slaap overdag. Ze mag niet verward worden met de wortel van het werkwoord قال يقول (“zeggen”), te meer omdat ze in de Koran maar één keer voorkomt, in de vorm van een actief participium dat dezelfde vorm heeft als dat van dit laatste werkwoord.
وَكَمْ مِنْ قَرْيَةٍ أَهْلَكْنَاهَا فَجَاءَهَا بَأْسُنَا بَيَاتًا أَوْ هُمْ قَائِلُونَ
Hoeveel steden hebben Wij niet verwoest! Onze strengheid trof hen tijdens hun nachtrust of terwijl zij hun middagslaap hielden. (7:4)
Ontwaken
اِسْتَيْقَظَ
Dit werkwoord, van vorm 10, is het gangbaarste om “wakker worden” uit te drukken. Ook de vormen 1 en 5 zijn in gebruik. In de Koran komt deze wortel maar één keer voor, als meervoud van een bijvoeglijk naamwoord, in de passage hieronder.
وَتَحْسَبُهُمْ أَيْقَاظًا وَهُمْ رُقُودٌ
Je zou hen wakker hebben gewaand, terwijl zij sliepen. (18:18)
أَفاق / يُفِيقُ
Dit werkwoord betekent “weer bij zinnen komen” of “van iets bekomen”: van een roes, een flauwte, een onwel worden, een ziekte enz. Het heeft dezelfde wortel als فَوْق (“boven”), wat vrij goed aansluit bij de Nederlandse uitdrukking “er weer bovenop komen”.
Let op: in het moderne Arabisch hoor je vaak het werkwoord فاق يفيق voor “wakker worden”. Dat is oorspronkelijk een dialectisch gebruik dat steeds meer terrein wint, want in het klassieke Arabisch betekent het “boven iets staan; overtreffen”.
وَخَرَّ مُوسَى صَعِقًا فَلَمَّا أَفَاقَ قَالَ سُبْحَانَكَ تُبْتُ إِلَيْكَ وَأَنَا أَوَّلُ الْمُؤْمِنِينَ
En Mozes viel bewusteloos neer. Toen hij weer bijkwam, riep hij uit: “Glorie zij U! Ik ben tot U teruggekeerd, en ik ben de eerste van de trouwen (of gelovigen)!” (7:143)
De andere proxemieën
- Proxemie: licht en schaduw, wolken en regen
- Proxemie: zee en berg, tuinen en vruchten
- Proxemie: kamelen, paarden en schepen
- Proxemie: de mens en de familie
- Proxemie: huizen, paleizen en kamers
- Proxemie: opstijgen en afdalen
- Proxemie: gaan, komen, terugkeren en blijven
- Proxemie: zien en kijken, horen en luisteren, waarnemen
- Proxemie: spreken en zwijgen
- Proxemie 1: geest en ziel; hart en verstand; lichaam
- Proxemie 2: weten en handelen; begrijpen en zich bewust zijn
- Proxemie 3: willen en kunnen
- Proxemie 4: liefhebben en vrezen
- Proxemie 5: hopen, wanhopen en boos zijn
- Proxemie 6: geloven en twijfelen
- Proxemie 7: goede en slechte daden; beloning en straf
- Proxemie 8: religie, weg, interpretatie
- Proxemie 9: vrijgevigheid en gierigheid
- Proxemie 10: schepping en barmhartigheid
- Proxemie: de armen
- Proxemie: de jaren
- Proxemie: “misschien” (لعلّ en عسى)
- Proxemie: de rijpheid
- Proxemie: kleding
Koranisch Arabisch leren
Deze betekenisnuances vat je het best aan de hand van de tekst zelf. Het leerboek Koranisch Arabisch: De taal van de Koran begrijpen leidt je stap voor stap in de taal van de Koran in, met grammatica, woordenschat en oefeningen die uit de koranische tekst zelf zijn geput, zowel voor zelfstudie als voor groepswerk.